Op 8 april 1284, 3e Paasdag, komen edelen uit wat nu de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard zijn, bijeen om afspraken te maken over het beteugelen van de telkens terugkerende wateroverlast. Tegen de overlast uit het Gelderse wordt aan de oostgrens De Diefdijk opgeworpen, terwijl in het gebied zelf de afwatering wordt verbeterd door de aanleg van de Huibert, genoemd naar de initiatiefnemer. In 1984 wordt in het Everdingse kerkje deze historische bijeenkomst herdacht. In 1304 wordt het kasteel van Everdingen belegerd. Het geheel wordt met de grond gelijk gemaakt. Ook de kapel. Een volgend kerkgebouw wordt in 1498 door brand verwoest.

In 1504 was een grote driebeukige kerk in gebruik die aan wel duizend personen plaats bood. Tussen 1515 en 1518 werd er een 30 meter hoge toren bijgebouwd, die veel gelijkenis toonde met die van Gorinchem. Al in 1525 zou hier een hagepreek zijn gehouden. Als daarbij Hollandse soldaten de predikant gevangen willen nemen, komen Gelderse soldaten te hulp. Onder vrouwe Elsebee in Culemborg vinden we de eerste voorzichtige tekenen der hervorming. Haar opvolger, graaf Floris I van Pallandt, gaf zijn soldaten de opdracht de kerken in zijn gebied te ontdoen van alle katholieke inventarisstukken. Na deze beeldenstorm werden de nissen, waar eens de beelden stonden, dichtgemetseld. Bij de kerkrestauratie in 1973 komen ze weer tevoorschijn.

Na de komst van Alva vlucht de graaf. Bij zijn terugkeer vluchtte de Everdingse pastoor naar Hagestein en zijn volgelingen bleven hem trouw. De graaf verbood wel de kerkgang naar Hagestein, doch vervolgde de overtreders niet. Ook nu nog woont er een relatief groot aantal katholieke gelovigen in Everdingen. Tijdens de witte Kerst in 1810 veroorzaakt een zware sneeuwval het instorten van het totale schip van de kerk. Van toen af deed het koorgedeelte dienst als kerkgebouw. De grote toren, die door de instorting op 13 meter van het kerkje was komen te staan, begon te verzakken. Ook het verwijderen van de spitse punt bracht daarin geen verandering. In 1855 staat de toren ruim een meter uit het lood. De wereldlijke gemeente, eigenaar van de toren, besluit tot afbraak. De klok wordt gekocht door de kerk van Overschie. Deze klok was een produkt van klokkegieter Jan van Trier. Een lang leven was de klok echter niet beschoren. In 1899 treft de bliksem de kerk in Overschie en de klok gaat daarbij ook verloren. Na enige tijd wordt met behulp van de overheid een nieuw torentje op de kerk aangebracht, dat heden ten dage nog steeds het gebouw siert.

In 1926 en 1947 wordt de kerk grondig opgeknapt. Één van de zaken die worden aangepakt is het restaureren van het uit 1670 daterende doophek. Dit geschiedde in 1947 als aandenken aan de bevrijding. In 1973 vindt een algehele restauratie plaats. Dat was ook hard nodig getuige het feit dat van het dak afkomstige leien bij harde wind bij de buren door de ruiten vlogen. Ook woei de haan met spits scheef, terwijl de klok al niet meer werd geluid omdat men bang was dat hierdoor nog grotere schade zou kunnen ontstaan. Het kalkplafond uit 1853 wordt verwijderd en het nu weer zichtbare gotische plafond geeft de kerk een veel betere akoestiek. De ramen krijgen weer hun gemetselde sponningen. De avondmaalstafel en de doopvondstandaard stammen uit 1947; het doopvond zelf dateert uit de vorige eeuw en draagt de tekst “De Heere gedenkt in eeuwigheid Zijn verbond”. In 1980 krijgt de kerk nieuwe banken.